In letselschadezaken met meerdere ongevallen is het klassieke discussiepunt vaak niet óf er schade is, maar wélk ongeval welke klachten heeft veroorzaakt. In een deelgeschil bij de Rechtbank Rotterdam (21 januari 2026) draait alles om die causaliteitsknoop: een werknemer houdt blijvende knieklachten na twee afzonderlijke ongevallen. Beide aansprakelijke partijen erkennen aansprakelijkheid voor ‘hun’ ongeval, maar de schadeafwikkeling loopt vast omdat de verzekeraars elkaar blijven aankijken als het gaat om de knie. Een geval dus waarbij het slachtoffer ‘van het kastje naar de muur’ wordt gestuurd. Daar maakt de rechter een einde aan.
2.2.26

Twee ongevallen, één knieprobleem

rechter maakt einde aan ‘van het kastje naar de muur’

In letselschadezaken met meerdere ongevallen is hetklassieke discussiepunt vaak niet óf er schade is, maar wélk ongeval welkeklachten heeft veroorzaakt. In een deelgeschil bij de Rechtbank Rotterdam (21januari 2026) draait alles om die causaliteitsknoop: een werknemer houdtblijvende knieklachten na twee afzonderlijke ongevallen. Beide aansprakelijkepartijen erkennen aansprakelijkheid voor ‘hun’ ongeval, maar deschadeafwikkeling loopt vast omdat de verzekeraars elkaar blijven aankijken alshet gaat om de knie. Een geval dus waarbij het slachtoffer ‘van het kastje naarde muur’ wordt gestuurd. Daar maakt de rechter een einde aan.

De rechtbank hakt de knoop door met twee kernbeslissingen:(1) toepassing van art. 6:99 BW (alternatieve causaliteit) voor het kniedeelvan de schade, met hoofdelijke aansprakelijkheid van beide verzekeraars; en (2)aanwijzing van de verzekeraar van het eerste ongeval als ‘regelend verzekeraar’op basis van Bedrijfsregeling 7. Een aanvullend voorschot van €100.000 wordtjuist níet toegewezen, omdat dat in deze stand van het dossier onvoldoendebijdraagt aan een vaststellingsovereenkomst.

De feiten in vogelvlucht

Eerste ongeval (3 december 2015): De werknemer verdraaitzijn knie wanneer een loopplank bij zijn woning wegglijdt bijrioleringswerkzaamheden. De werkgever erkent aansprakelijkheid; deAVB-verzekeraar is Zurich Insurance Europe AG. In 2016 volgt een arthroscopieen per 1 juli 2016 hervat de werknemer zijn werk volledig.

Tweede ongeval (22 januari 2018): Tijdens werk stapt dewerknemer vanaf de bovenzijde van een trap naar voren en valt in een gat vanongeveer 1,5 meter. De aansprakelijkheid voor dit ongeval wordt eveneens erkend.De WAM/AV-verzekeraar is HDI Global SE. Na dit ongeval keert de werknemer nietterug naar zijn werk.

Medisch knelpunt: verkalking en instabiliteit

Na het tweede ongeval wordt op een röntgenfoto eenverkalking zichtbaar in van de mediale band van de knie. Die verkalking wordtop 9 november 2018 operatief verwijderd. Nadien resteert een mildeinstabiliteit. De gezamenlijke orthopedische expertise plaatst de verkalkingvooral bij het eerste ongeval, maar laat ruimte voor discussie over de vraagwaardoor de pijnklachten zijn ontstaan die tot de operatie leidden: door(rest)klachten uit 2015 of door nieuw trauma in 2018. En precies dát bepaaltwie uiteindelijk welke schadeposten draagt.

Waarom dit een typische art. 6:99 BW-zaak is

De hoofdregel (art. 150 Rv) is: wie schade claimt, moetstellen en zo nodig bewijzen dat de schade door het ongeval komt. Maar art.6:99 BW draait die bewijslast om in een specifieke situatie: als de schade hetgevolg kan zijn van twee (of meer) gebeurtenissen waarvoor verschillendepersonen aansprakelijk zijn, terwijl vaststaat dat de schade door ten minsteéén van die gebeurtenissen is veroorzaakt. Dan is ieder aansprakelijk, tenzijhij bewijst dat de schade niet door ‘zijn’ gebeurtenis is ontstaan.

Belangrijk in deze beschikking is dat de rechtbank art. 6:99BW niet ‘alles-of-niets’ toepast. Het eerste ongeval betrof uitsluitendknieklachten, terwijl het tweede ongeval óók andere letsels opleverde(pols/hand, ribben, schouder, rug). Daarom beperkt de rechtbank het bereik vanart. 6:99 BW tot het deel van de schade dat voortvloeit uit de huidigeknieklachten. Met andere woorden: hoofdelijke aansprakelijkheid voor hetkniedeel, niet voor de volledige letselschade.

De rechtbank acht daarbij (kort samengevat) doorslaggevend:

·        vaststaat dat er blijvende knie-instabiliteit isna de operatie;

·        die operatie ziet op de verkalking, en er isonvoldoende zekerheid over welk ongeval de (pijn)aanleiding vormde voor dieingreep;

·        daarmee kunnen de huidige knieklachten zoweldoor het eerste als door het tweede ongeval zijn veroorzaakt, terwijl óókvaststaat dat ze in elk geval door één van beide zijn veroorzaakt.

Gevolg: beide verzekeraars zijn hoofdelijk aansprakelijkjegens het slachtoffer voor dit kniedeel van de schade. De onderlinge verdeling,dus wie uiteindelijk welk aandeel betaalt, is een verhaalskwestie tussenverzekeraars. Dat is niet iets dat het slachtoffer hoeft uit te vechten.

Regelend verzekeraar: einde aan het ‘van het kastje naarde muur’

Naast de inhoudelijke causaliteitsvraag speelt hier eenpraktisch afwikkelingsprobleem: de schaderegeling stagneert doordat deverzekeraars geen regie nemen. De rechtbank grijpt daarom naar Bedrijfsregeling7 van het Verbond van Verzekeraars. De kern van die regeling is: niet naarelkaar verwijzen, maar één verzekeraar moet de schade actief regelen. Komen deverzekeraars er niet binnen een maand uit wie dat doet, dan treedt deverzekeraar van het eerste ongeval op als regelend verzekeraar.

Omdat er geen overeenstemming kwam, wijst de rechtbankZurich aan als regelend verzekeraar. Dat betekent dat Zurich de volledigeschadeafwikkeling moet oppakken en betalingen richting het slachtofferverzorgen, met daarna pas een onderlinge afrekening met HDI. De rechtbank veegthet bezwaar van tafel dat dit ‘onredelijk’ zou zijn omdat het tweede ongevalmeer letsels omvat. Want juist de knie-discussie veroorzaakt de impasse, en deregeling is bedoeld om die impasse niet op het bord van het slachtoffer te leggen.

Voorschot van €100.000 afgewezen: waarom dit niet past indeelgeschil

De werknemer vroeg ook een aanvullend voorschot van€100.000. Dat wordt afgewezen op grond van art. 1019z Rv: een beslissinghierover draagt nu onvoldoende bij aan een vaststellingsovereenkomst. Derechtbank wijst erop dat voor de grootste schadepost (verlies aanverdienvermogen) eerst verzekeringsgeneeskundig en/of arbeidsdeskundigonderzoek nodig is om de mate van beperkingen en arbeidsmogelijkheden teduiden. Dat onderzoek is te zwaar en te tijdrovend voor dit deelgeschil.

Waarom deze uitspraak belangrijk is voor de praktijk

Deze beschikking is een helder voorbeeld van hoe art. 6:99BW een vastgelopen causaliteitsdiscussie kan doorbreken zónder dat hetslachtoffer klem komt te zitten tussen twee dossiers. Tegelijk laat derechtbank zien dat ‘regelend verzekeraar’-regie meer is dan een formaliteit:het is een instrument om de voortgang te forceren wanneer de afwikkelingvastloopt. En ten slotte: wie een voorschot wil afdwingen in deelgeschil, moetlaten zien dat bevoorschotting zélf het onderhandelingsproces blokkeert én datde rechter met het bestaande dossier verantwoord kan begroten, zeker bijverlies aan verdienvermogen.

Veelgestelde vragen

Geen veelgestelde vragen gevonden
Van Diepen Letselschade

Wij staan voor je klaar

Onze inzet is om jou (juridisch) te ontzorgen. Jij hebt als slachtoffer of gedupeerde immers al genoeg aan je hoofd. Schroom niet en zoek contact met ons, om in de meeste gevallen gratis rechtshulp te ontvangen van ervaren en gespecialiseerde advocaten.