
Op 3 februari 2023 liet een vrouw haar hond uit op eengrasstrook waar meerdere honden los met elkaar speelden. Terwijl zij met tweeandere hondeneigenaren stond te praten, kwam een hond in volle vaart op haar afen botste tegen haar linkerbeen. De vrouw viel en liep ernstigknie-/onderbeenletsel op. De dag erna werd zij op de SEH gezien en latergeopereerd, gevolgd door een langdurig hersteltraject met revalidatie. Voor hetongeval en de ernstige gevolgen stelde zij de eigenaar van de hondaansprakelijk. Hoe kijkt de rechter naar deze zaak?
In dit soort zaken staat of valt aansprakelijkheid vaak metde toedracht. Hier lag het twistpunt bij de vraag: was het de zwarte labradorvan de gedaagden die tegen het been van de vrouw botste, of was het haar eigenhond?
De rechtbank stelt voorop dat de benadeelde de stelplicht enbewijslast draagt. Dat betekent dat zij aannemelijk moet maken dat juist dehond van gedaagden de schade heeft aangericht in de zin van artikel 6:179 BW.
De rechtbank achtte het bewijs geleverd dat de labrador vangedaagden de vrouw omver liep. Doorslaggevend was de combinatie van:
· de verklaring van de benadeelde zelf (metbeperkte bewijskracht, maar wel bruikbaar als aanvulling), en
· de verklaring van een omstander die het incidentdaadwerkelijk zag gebeuren en geen procespartij was.
Die omstander verklaarde onder ede dat de zwarte labradorvoorop rende en recht tegen de onderbenen van de vrouw botste. De rechtbankhechtte aan die verklaring veel waarde, mede omdat deze consistent was met eeneerdere schriftelijke verklaring. De verklaringen van gedaagden vond derechtbank minder overtuigend, onder meer doordat één van hen op afstand stonden op onderdelen onjuist verklaarde.
Omdat de rechtbank uitgaat van een botsing door de labrador,komt de juridische basis in beeld: de risicoaansprakelijkheid voor dieren. Opgrond van artikel 6:179 BW is de bezitter van een dier in beginselaansprakelijk voor schade die het dier aanricht door zijn eigen energie. En alser gezamenlijke bezitters zijn, kunnen die op grond van artikel 6:180 BWhoofdelijk aansprakelijk zijn.
In gewone taal: je hoeft als slachtoffer niet te bewijzendat de hondeneigenaar iets fout deed. Het enkele feit dat de hond door zijngedrag schade veroorzaakt, kan voldoende zijn voor aansprakelijkheid.
Dat een bezitter risicoaansprakelijk is, betekent nietautomatisch dat hij 100% van de schade vergoedt. De rechtbank beoordeelde hetberoep op eigen schuld (artikel 6:101 BW) en kwam tot een 60/40-verdeling:
· 60% van de schade komt voor rekening van dehondeneigenaren (gedaagden).
· 40% blijft voor rekening van het slachtoffer.
Belangrijk in de motivering is dat beide partijen deaanlijnplicht niet in acht namen: zowel de benadeelde als gedaagden lieten hunhonden los op een plek waar een aanlijnplicht gold. Daarnaast woog mee dat deeigen hond van de benadeelde dicht achter de labrador aan rende: het achterelkaar aan rennen maakte onderdeel uit van het spelsituatiegedrag. De rechtbankachtte het aandeel van de labrador iets groter, omdat die niet uitweek en metvolle vaart tegen het been botste. Een billijkheidscorrectie, om van de 60/40-verhoudingaf te wijken, werd niet toegepast.
Gedaagden voerden aan dat het letsel te ernstig zou zijnvoor een val op gras na een botsing met een hond, en suggereerden zelfs eenlater (ander) incident omdat de benadeelde pas de volgende dag medische hulpzocht.
De rechtbank ging daar niet in mee. Uit verklaringen volgdedat de benadeelde direct na het incident veel pijn had, niet zelfstandig konlopen en het been niet kon belasten. Concrete aanwijzingen voor een anderincident ontbraken. Daarmee achtte de rechtbank het causaal verband tussen de botsingmet de hond en het letsel voldoende aannemelijk.
De benadeelde vorderde (samengevat) een totaal van €125.382,-waaronder:
· €65.382 aan reeds geleden schade (o.a. verliesaan verdienvermogen),
· €15.000 smartengeld,
· en daarnaast €60.000 aan toekomstige schade.
Cruciaal: de rechtbank heeft in dit stadium nog gééndefinitieve schadevergoeding toegewezen. Het vonnis is op dit punt eentussenuitspraak: de rechtbank wil de schade bij voorkeur in dezelfde procedurebegroten, maar vindt de onderbouwing nog onvoldoende uitgewerkt. De benadeeldekrijgt de gelegenheid om schadeposten nader toe te lichten, hethuisartsenjournaal over de twee jaren vóór het incident over te leggen en detoekomstige schade (mogelijk is een knieprothese nodig) beter te concretiseren.
Over het smartengeld merkte de rechtbank wel op dat €15.000op zichzelf redelijk en in lijn met jurisprudentie kan zijn, maar ook dat deuiteindelijke beoordeling mede afhangt van de vraag of en wanneer eenknieprothese nodig zal zijn. Ook hierover is dus nog geen eindbeslissinggenomen.
Opvallend in deze zaak is dat de benadeelde conservatoirbeslag liet leggen op onder meer de woning en bankrekeningen van gedaagden.Gedaagden vroegen om opheffing daarvan, maar dat verzoek werd (voorlopig)afgewezen: niet is gebleken van ondeugdelijkheid of onnodigheid van het beslag.
Tegelijk zette de rechtbank wel een belangrijk kader: nu deaansprakelijkheid is beperkt tot 60%, kan, uitgaande van de ingesteldevordering, maximaal €75.229,20 in beeld komen. Het beslag was voor een hogerbedrag gelegd. De rechtbank drong aan op een praktische oplossing, bijvoorbeeldom bij verkoop van de woning een deel van de opbrengst ‘te parkeren’ bij denotaris als zekerheid totdat de schade definitief is vastgesteld.
Deze zaak laat goed zien waarom hondenincidenten juridischen bewijsrechtelijk complex kunnen zijn, ook als de gebeurtenis zelf in enkeleseconden plaatsvindt. Er spelen meerdere technisch-juridische lagen tegelijk:bewijswaardering (wie zag wat en hoe betrouwbaar is dat),risicoaansprakelijkheid (6:179 BW), eigen schuld en causaliteit (6:101 BW), énvervolgens de schadebegroting met medische onderbouwing, toekomstige risico’s(zoals artrose/knieprothese) en rekenkundige uitgangspunten (zoalskapitalisatie en rekenrente). Daar komt bij dat beslaglegging enzekerheidsdiscussies de druk op partijen verder opvoeren.
Een gespecialiseerde letselschadeadvocaat kan in zulkedossiers het verschil maken door vanaf het begin het bewijs en de medischeonderbouwing strak te organiseren, de juiste experts (medisch,arbeidsdeskundig, rekenkundig) op het juiste moment te betrekken en hetschadeverhaal strategisch vorm te geven. Dat vergroot niet alleen de kans operkenning en een juiste verdeling van aansprakelijkheid, maar ook op eenrealistische, goed onderbouwde schadevergoeding zonder onnodige vertraging.

Onze inzet is om jou (juridisch) te ontzorgen. Jij hebt als slachtoffer of gedupeerde immers al genoeg aan je hoofd. Schroom niet en zoek contact met ons, om in de meeste gevallen gratis rechtshulp te ontvangen van ervaren en gespecialiseerde advocaten.
Van Diepen Letselschade is onderdeel van de advocatenmaatschap Van Diepen Van der Kroef Advocaten, statutair gevestigd en (mede) kantoorhoudende te (1077BL) Amsterdam aan het Dijsselhofplantsoen 16-18. De advocatenmaatschap is ingeschreven in het handelsregister onder nummer 34330703