
Een patiënt ontwikkelde na een LASIK-behandeling een matig tot ernstig droge-ogensyndroom
Wie een ooglaserbehandeling (LASIK) ondergaat, verwachtvooral gemak: geen bril of contactlenzen meer. Maar een refractiechirurgischeingreep is geen ‘cosmetische routine’, zeker niet als er complicaties optreden.In een arrest van het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden is een ooglaserkliniekvolledig aansprakelijk gehouden voor de klachten van een patiënt die na eenLASIK-behandeling een matig tot ernstig droge-ogensyndroom ontwikkelde. Deaansprakelijkheidsverzekeraar in deze zaak is VvAA Schadeverzekeringen. Het hofoordeelt dat de kliniek zowel haar informatieplicht als haar onderzoeksplichtheeft geschonden en daarmee toerekenbaar is tekortgeschoten in de geneeskundigebehandelingsovereenkomst.
De patiënt liet een LASIK-ingreep uitvoeren om van zijn brilaf te zijn. Later volgde een herbehandeling aan beide ogen. Daarna ontwikkeldehij forse klachten: dagelijks droge, branderige, pijnlijke en geïrriteerdeogen, problemen bij autorijden in zonlicht en in het donker en visusproblemen.Een gerechtelijk deskundige (refractiechirurg) concludeerde dat sprake is vanbilaterale keratoconjunctivitis sicca (droge-ogensyndroom), passend bij deklachten, met lage waarden van traanfilm en traanproductie. De klachten blekenniet tijdelijk, maar hardnekkig en ingrijpend voor het dagelijks functioneren.
Het hof legt een belangrijk accent op het ontbreken vanadequaat preoperatief onderzoek naar traanfilm en traanproductie. Inprofessionele richtlijnen en consensusdocumenten binnen de oogheelkunde wordtgenoemd dat traanfilm en traanproductie moeten worden beoordeeld, metnadrukkelijke verwijzing naar testen zoals de Schirmertest en de T-BUT-test. Indit dossier kwam het hof tot de conclusie dat deze testen niet, althans nietaantoonbaar, zijn uitgevoerd. Dossiernotities waaruit volgt dat de beoordelingwél zorgvuldig is gedaan, ontbraken of waren onvoldoende concreet.
Dat is niet alleen een administratief punt. Droge ogenkunnen een relevante risicofactor of (relatieve) contra-indicatie vormen bijLASIK, omdat de ingreep het risico op (verergering van) droogteklachten kanverhogen. Juist daarom verwacht het hof dat een kliniek vóór een niet-medischnoodzakelijke ingreep aantoonbaar onderzoekt of de patiënt tot de risicogroepbehoort en dat zij die bevindingen zorgvuldig vastlegt.
Naast de onderzoeksplicht speelde de informatieplicht eencentrale rol. Het hof vindt dat de kliniek niet voldeed aan de wettelijkeinformatieplicht over de te verwachten gevolgen en de relevante risico’s van debehandeling. In het toestemmingsformulier werd “droge ogen” slechts algemeengenoemd en als “zeer zeldzaam” gepresenteerd, zonder concrete uitleg over aard,ernst en mogelijke langdurige gevolgen.
Dat acht het hof problematisch, juist omdat het hier gaat omeen ingreep die in essentie is gericht op comfort en kwaliteit van leven, enniet om een medische noodzaak. Dan weegt het belang van een reële,begrijpelijke risico-informatie extra zwaar: de patiënt moet een weloverwogenkeuze kunnen maken, ook als die keuze is om de behandeling niet te laten doen.In deze zaak vond het hof dat de patiënt onvoldoende was gewaarschuwd voor dekans dat droge ogen ernstig en langdurig kunnen zijn.
Het hof gaat vervolgens in op het causaal verband. Het achtbewezen dat het droge-ogensyndroom, als niet-geringe complicatie, het gevolg isvan de tekortkomingen van de kliniek. De gedachte is in de kern: als er voorafzorgvuldig was getest en als de patiënt correct en concreet was geïnformeerd,had de behandeling mogelijk (of zelfs waarschijnlijk) niet plaatsgevonden, ofwas in elk geval anders gehandeld. De kans dat de patiënt ook zonderlaserbehandeling dezelfde ernstige en blijvende klachten zou hebben ontwikkeld,vindt het hof te gering en te onzeker om een deel van de schade voor rekeningvan de patiënt te laten.
Ook de herbehandeling valt onder de aansprakelijkheid. Hethof beschouwt die heringreep als een voortbouwend gevolg van het eerderetraject: de patiënt zocht verbetering, maar raakte juist verder verstrikt inklachten en behandelbeslissingen die terug te voeren zijn op het initiëletekortschieten.
In het arrest is nog geen concreet schadebedrag vastgesteld.Het hof verklaart voor recht dat de kliniek aansprakelijk is en dat VvAAgehouden is de schade te vergoeden. De omvang van de letselschade moetvervolgens in de schadeafwikkeling worden bepaald. Wel zijn proceskosten inhoger beroep toegewezen.
Deze zaak laat zien dat medische aansprakelijkheid zeldendraait om één ‘foutmoment’, maar om een keten van bewijsstappen:dossieranalyse, toetsing aan professionele standaarden, beoordeling vaninformed consent en onderbouwing van causaliteit. Goede, gespecialiseerderechtshulp is daarbij essentieel. Een belangenbehartiger kan helpen om hetmedisch dossier en interne protocollen volledig te krijgen, richtlijnenjuridisch scherp te positioneren, de juiste deskundigheid in te brengen en decausaliteitsvraag zorgvuldig op te bouwen.
Dat is ook belangrijk voor de schadebegroting, waarin postenals zorgkosten, verlies aan verdienvermogen, huishoudelijke hulp, smartengelden toekomstige medische kosten vaak pas later concreet worden. Vroegejuridische regie voorkomt dat het dossier achteraf gaten vertoont, waardoordiscussies over risico’s, alternatieve oorzaken en schadeomvang onnodigescaleren of vertragen.

Onze inzet is om jou (juridisch) te ontzorgen. Jij hebt als slachtoffer of gedupeerde immers al genoeg aan je hoofd. Schroom niet en zoek contact met ons, om in de meeste gevallen gratis rechtshulp te ontvangen van ervaren en gespecialiseerde advocaten.
Van Diepen Letselschade is onderdeel van de advocatenmaatschap Van Diepen Van der Kroef Advocaten, statutair gevestigd en (mede) kantoorhoudende te (1077BL) Amsterdam aan het Dijsselhofplantsoen 16-18. De advocatenmaatschap is ingeschreven in het handelsregister onder nummer 34330703